Jaarmarkten, kermissen en de ‘Familie Oliveira’.

Limburg had zijn carnaval, grote delen van de rest van ons land had zijn jaarlijkse kermissen. Nog steeds zijn er streken, waar de jaarlijkse kermis heilig is. Op die kermissen kon je in de 19e eeuw aan het eind van de zomer enkele dagen flink uit je bol gaan en een stevig deel van je zomerinkomsten verbrassen. Je kon je geld kwijt aan snuisterijen en dingen, die je de rest van het jaar nergens kon kopen, je kon genieten van lekkernijen die je alleen op de kermis kon kopen: wafels, ijs. Je kon de waarzegster raadplegen, kijken naar zingende dwergen of vrouwen met baarden of meer dan twee borsten, of naar de paardrijkunsten van de kunstrijders van Circus Carré, of acrobaten of andere acts van de concurrent, of een dansende beer, een orgeldraaiende aap. Je kon je bezatten, uit het zicht met je buurvrouw of -man lopen rommelen, met de mannen van een dorp verderop op de vuist gaan. Je kon je laten schilderen, een daguerro-portret laten maken door een echte fotograaf, of gaan dansen op de klanken van een vaudeville-band in een nabijgelegen café of koffiehuis.
Een zo’n orkestje was dat van Jacob Jessurun d’Oliveira. Anders dan de Vreelands was hij van Sefardische komaf, maar zijn eens rijke voorouders waren aan lager wal geraakt. Jacobs vader Abraham zette de familie weer op de kaart. Hij zette Amsterdam op stelten met door hem als dansmeester geleide feesten in Frascati en andere feestzalen. Vader Abraham deed ook iets ongebruikelijks: hij trouwde met een vrouw van Askenazische afkomst, Grietje Levee. Ook zoon Jacob trouwde in 1863 in Harderwijk een Askenazische vrouw, Marianna Vreeland. Zulke huwelijken waren tot de Franse tijd niet toegestaan. En nog lang daarna weigerde de Sefardische opperrabijn zulke huwelijken goed te keuren. Jacobs broer Joseph had het stokje van vader Abraham overgenomen en organiseerde dus na de dood van zijn vader de feesten in Frascati en andere zalen, en vestigde zich later in Leeuwarden. Oudste broer Jacques (eigenlijk Isaac) kreeg een beurs om te studeren aan het conservatorium in Brussel. Hij stond op het punt carrière te maken als vioolvirtuoos, toen zijn vader plotseling overleed. Nu moest hij de kost verdienen. Toen P.T. Barnum met Tom Thumb Europa bezocht, speelde Jacques Oliveira in het begeleidende orkest. Barnum haalde Jacques over om naar New York te komen. Zijn eerste optreden was op 1 december 1859. Barnum kondigde hem met advertenties in de kranten aan: ‘Senor Oliveira, The Great Violinist, Has Arrived’. Jacques stapte uiteindelijk over op het klassieke repertoire waarvoor hij was opgeleid, en vestigde zich in New Orleans. Hij is een van de weinige violisten die in die tijd in Amerika met klassiek repertoire een carrière wisten op te bouwen. Calixa Lavallée, de componist van het Canadese volkslied, belandde in die jaren in New Orleans. Hij beweerde later, dat hij zijn ‘briljante debuut’ in die stad maakte in het orkest van de beroemde Spaanse violist Olivera [sic!], met wie hij vervolgens op tournee zou zijn gegaan naar Brazilië en de West Indies. Jacques (Isaac) stierf in New Orleans op 31-jarige leeftijd in 1867.
Broer Jacob ging aan de slag op kermissen, eerst met een fotografietent samen met Josph de Bok, in 1867 of misschien al eerder. Uit datzelfde jaar vinden we een advertentie over een optreden van het orkestje ‘Familie Oliveira’ in het Stations Koffijhuis in Almelo, tijdens de kermis in november. Tot 1872 vinden we zulke advertenties terug met optredens in allerlei plaatsen in het land, tijdens jaarmarkten en kermissen, met Jacob als dansmeester en/of komiek. In het orkestje speelde Rebecca de Bok, de halfzus van echtgenote Marianna, op viool. Ten minste twee broers van Marianna speelden mee, waarschijnlijk Levie en Machiel. In 1872 vinden we ook de eerste optredens van het orkestje van Levie en van de ‘gebroeders Vreeland’. Zij staan geregistreerd als muzikanten en ook zij zijn gevestigd in Harderwijk. Jacob stopte misschien als komiek en met zijn orkestje, maar niet met het kermisleven: hij trad nog enige tijd op met hondje Norma, dat kon rekenen, kaarten en domino spelen. Na 1876 vinden we hem niet meer terug in krantenadvertenties. In die tijd begon de diamantindustrie te boomen. Ook Jacob ging als diamantslijper aan de slag. Maar in 1884 vinden we hem weer even terug als regiseur [sic] van het ‘gunstig bekende Café-Concert en Operettengezelschap’ en als beroemd Hollands karakter-komiek in Amersfoort, met vier zangeressen en één pianiste. Ook zoon Abraham switchte tussen kermis en diamantvak.
Zo werden kermissen steeds vaker gecanceld vanwege een epidemie. En ook toen had een dansmeester zich daarbij neer te leggen. Maar er kwamen ook morele bezwaren tegen kermissen in het algemeen. Die waren allereerst afkomstig van calvinisten. De bezwaren uit deze kring werden goed samengevat in de bijdrage van het Rotterdamse schoolhoofd J.C. Kentie (absoluut geen familie) in een petitie uit 1907 van het Anti-Kermis Comité, gericht aan de Rotterdamse gemeenteraad. Hij stelt “dat ieder fatsoenlijk mensch afgezien van zijn godsdienstige overtuiging, alleen gedreven door een gevoel van betamelijkheid, moet gruwen van de kermisbacchanaliën. Wat in een geheel jaar zou kunnen gewonnen worden aan volksbeschaving en veredeling, wordt in dezen korte tijd van verwildering verspeeld”. In Amsterdam was dat al in 1876 gebeurd. Daar speelde naast de zorg voor de volksbeschaving (maar kermissen werden ook bezocht door mensen uit de burgerlijke klassen; niet voor niets vinden we advertenties in het Algemeen Handelsblad) ook nog iets anders mee. Op de kermis spendeerden werkende mensen een stevig bedrag, dat in de lente en de zomer was verdiend. Dat geld kon niet meer worden gebruikt om de winter te overleven, met de kans dat gezinnen aanspraak moesten maken op armenzorg en bedeling. Het geld daarvoor werd opgebracht door de belastingbetalende ‘beter gesitueerden’. En in die kring ontstond aan het eind van de 18e eeuw de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Deze verlichte organisatie wordt altijd geprezen voor haar beschavingsoffensief, maar ik ben ervan overtuigd, dat financieel eigenbelang ook een grote rol speelde.
Vanaf het begin richtte Het Nut zich op het stimuleren van spaarzaamheid onder de werkende klasse. Dat deed het door het oprichten van spaarbanken, het uitgeven van opvoedende brochures, het bestrijden van geldverslindende volksactiviteiten als de kermis en, onlosmakelijk daarmee verbonden, het stimuleren van huiselijkheid. Dat laatste werd van belang gevonden, omdat de man dan geen belang had om zijn vertier elders te zoeken. Dus werden arme kelderbewoners in de Amsterdamse volksbuurten gestimuleerd hun woonruimte op te vrolijken met leuke plantjes en werden er brochures verspreid met ideeën voor leuke spelletjes.
Ook niet goed voor de werkgelegenheid van kermismusici was het op de markt komen van het kermisorgel, vanaf ongeveer 1880.
David Cohen schreef een prachtige studie over de Portugees-Joodse familie (Jessurun) de Oliveira (in het kader van de Aktie Portugesia, een poging om in de oorlogsjaren aan te tonen, dat Portugese Joden toch vooral tot het mediterrane ras behoorden, in tegenstelling tot hun Asjkenazische geloofsgenoten). In dat kader onderzoekt hij uitgebreid de familiegeschiedenis, en ook de 19e eeuw, toen het deze familie bepaald niet voor de wind ging: ze verdienden hun geld vooral in het amusement, en woonden in de armste straten van Amsterdam, waar ook de veelal Asjkenazische Joodse paupers woonden, die bij voorbeeld met venten hun brood verdienden.
In 1863 trouwt Levies zus Marianna met dansmeester Jacob Jessurun de Oliveira. Een huwelijk tussen een Portugese Jood en een Asjkenazische was nog steeds tamelijk bijzonder. Zo’n huwelijk was tot het begin van de negentiende eeuw voor Sefardische Joden niet toegestaan. Ook Jacobs vader Abraham was, in 1834, met een Asjkenazische vrouw getrouwd, Grietje Levee. In die tijd nog weigerde de Sefardische opperrabijn om zulke huwelijken in te zegenen.
Abraham Oliveira werd bekend als dansmeester in Frascati. Zoon Jacques werd meer dan bekend als violist in New York en New Orleans, maar Jacob scoorde wat lager. Hij trok met zijn Joodse Vaudeville-orkest ‘Familie Oliveira’ door het hele land en verzorgde optredens in en rondom kermissen. De moeder van Marianna en Levie huwde na het overlijden van haar man David Isaac in 1844 de bijna twintig jaar jongere Joseph Simon de Bok. Samen kregen ze nog een dochter, Rebecca, halfzus dus van Levie en Marianna. Die speelde als violiste in het orkest, en dat deden ook twee van Marianna’s volle broers, maar hun naam wordt nergens genoemd. Ik denk, gezien hun zwervend en onderling verweven bestaan (ik kom daarop terug), dat het om de in 1839 geboren Levie en de één jaar jongere Machiel David Vreelands gaat.
Jacob de Oliveira behoorde als rondtrekkend ‘kermisklant’ zonder meer tot de armste regionen van het Joodse proletariaat. De familie Vreeland zat daar, denk ik, nog ruim onder. Zo waren ze analfabeet. Van en over de allerarmsten is weinig bewaard gebleven in de archieven. Door dat linkje naar de De Oliveira’s weten we iets meer.